Volgens “Follow The Money” is de Raad van State meer gericht op bescherming van overheidsmacht dan op de rechtsbescherming van burgers

Gepubliceerd: 01 april 2021

Op basis van onze eigen ervaringen met de rechtspraak bij de Raad van State kan de KDVP zich helaas maar al te goed vinden in de stellingname in een artikel  dd 22-3-2021 van “Follow The Money”. Daarin wordt geconstateerd dat de rechtspraak van de Raad teveel gericht is op bescherming van de machthebbers terwijl zij binnen onze rechtsstaat als hoogste bestuursrechter juist tot taak heeft op te komen voor de rechtsbescherming van burgers in relatie tot overheidsinstellingen. Volgens de auteurs van dit artikel wijst de weigering van de Raad van State om in de toeslagenaffaire burgers te beschermen tegen een “wrede overheid” op een structureel probleem bij onze hoogste bestuursrechter. Deze conclusie is in lijn met de bevindingen van de parlementaire ondervragingscommissie – rapport commissie van Dam – waarin wordt aangetoond dat de Raad van State de rechtsbescherming van burgers structureel heeft veronachtzaamd door steeds aan de kant van de overheid te blijven staan. Ook de KDVP heeft dit moeten constateren in een hoger beroep procedure tegen de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) in 2019 over de opt-outregeling. Ook wij werden in deze procedure geconfronteerd met een – naar onze mening – volstrekt bevooroordeelde Raad van State.

 

In het hoger beroep over de opt-outregeling van de KDVP tegen de AP dat op 26-6-2019 diende bij de Raad van State ging het om een misleidende en niet-effectieve digitale declaratieprocedure waarmee niet kon worden voorkomen – maar ook bewust niet werd voorkomen – dat via het toepasselijke DBC-tarief alsnog diagnose-informatie aan zorgverzekeraars werd verstrekt. Even ongelooflijk als schokkend was het te moeten constateren dat er na een paar inleidende opmerkingen over privacy-claims welke niet meer van deze tijd zouden zijn, bij de behandeling volstrekt voorbijgegaan werd aan onze kernbezwaren tegen de niet-effectieve, digitale declaratieprocedure die gehanteerd zou moeten worden als gebruik wordt gemaakt van de opt-outregeling. Ook in de uitspraak van het hoger beroep werd niet gerefereerd aan de kernbezwaren die voor de KDVP de aanleiding waren tot het instellen van dit hoger beroep. De Raad van State heeft zich daarentegen in haar uitspraak geheel gebaseerd op een rapport van de NZa (“de slager keurt zijn eigen vlees”) dat totaal geen betrekking had op de bestaande digitale declaratieprocedure. Vanwege deze uitspraak van de Raad voelen noch zorgverzekeraars noch de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zich verplicht om de bestaande misleidende en niet-effectieve declaratieprocedure aan te passen, om het zodoende mogelijk te maken dat digitaal kan worden gedeclareerd zonder dat via het DBC- tarief alsnog diagnose-informatie wordt verstrekt aan zorgverzekeraars. De procedure en uitspraak in dit hoger beroep van de KDVP zou betrokken moeten worden in het zelfonderzoek dat de Raad van State heeft aangekondigd.